zondag 21 april 2013

"Prostitutie moet worden aangepakt met een nieuwe Middernachtzending"

Oprichter van de
Middernachtzending
 Johannes "Pa" van
der Steur (Bron)
In de vaste rubriek "De stelling" van het Historisch Nieuwsblad is deze maand gekozen voor het onderwerp: prostitutie. Anton van Hooff (Radboud), Ruth Oldenziel (TUE) en James Kennedy (UvA) moesten zich buigen over de stelling: "Prostitutie moet worden aangepakt met een nieuwe Middernachtzending".[1] Geen van de drie wetenschappers is het met de stelling eens. Van Hooff geeft aan dat prostitutie een gegeven is dat niet is uit te roeien. Oldenziel stelt dat het tegenwoordig een arbeidsrechtelijke kwestie is geworden en geen morele kwestie meer. Kennedy vindt ook dat de prostitutie aangepakt zou moeten worden, maar dat de Middernachtzending niet het antwoord is. Om te achterhalen of de stelling toepasbaar is in huidige tijd, moet eerst duidelijk zijn wat de Middernachtzending (MNZ) in de negentiende eeuw was, wie eraan deelnamen en wat ze bereikt hebben. 

De geboorte van de MNZ
In september 1888 werd de christelijke organisatie in Haarlem opgericht door Johannes van der Steur en zijn vrienden Stap en Veldhuizen. Het voornaamste doel van de vereniging was het letterlijk bestrijden van de prostitutie op straat en uiteindelijk streefden ze naar de landelijke invoering van het bordeelverbod [2]. Voor de aanpak op straat kende de vereniging twee strategieën:
  • Mannen van de vereniging gingen voor de bordelen staan en deelden flyers met waarschuwingen uit aan bezoekers. Als ze prostituanten herkenden, dan spraken ze hen bij hun voornaam aan. Ook werden deze mannen gevolgd om daarna de echtgenoten aan te spreken op de onzedelijke hobby's van de man. Het was voor de christelijke mannen of Middernachtzendelingen niet toegestaan om met de prostituees te spreken. Ze waren uitsluitend gericht op de mannelijke klanten.  
  • Alleen in Haarlem was er binnen de organisatie een afdeling met vrouwen die prostituees benaderden om zo de namen te achterhalen van klanten. 
Verslagen van de MNZ
Het werk op straat werd door "den gewone man" gedaan. De zendelingen die behoorde tot de hogere klassen richtte zich op de politiek druk. Aan gemeenten en de landelijke overheid werden brieven gestuurd die de misstanden in de prostitutie weergaven en aandrongen op een bordeelverbod. Daarnaast publiceerden ze over hun bevindingen in verslagen en hun eigen verenigingsblad "de Middernachtzendeling" In hoeverre hebben deze strategieën de beoogde doelstellingen bereikt?

Wat heeft de organisatie bereikt?
Volgens de verslagen in hun eigen verenigingsblad waren ze zeer succesvol. Een voorbeeld daarvan is weergegeven in onderstaande tabel die ingaat op de opbrengsten van de vereniging in Haarlem. Daarnaast werd er in 1911 een landelijk bordeelverbod ingevoerd. Het lijkt er dus op dat de christelijke vereniging haar doelstellingen gehaald had. Maar was dit te danken aan hun bijdrage of speelden andere factoren een doorslaggevende rol?
Overgenomen uit een van de verslagen van de MNZ over Haarlem van 1889
tot en met 1896 die zouden aantonen hoe succesvol de organisatie was 
[3]
In de eerste plaats moet de vereniging gezien worden in de economisch-sociale context van die tijd. In het laatste kwart van de negentiende eeuw was er sprake van een moderne economische groei. Al halverwege de jaren zeventig -ver voor de oprichting van de MNZ- was er een daling waar te nemen van het aantal prostituees in middelgrote steden. De lokale vrouwen vonden alternatieve banen en prostitutie was voor hen geen noodzaak om aan geld te komen.[4] In de tweede plaats was de maatschappelijke aandacht in die periode geconcentreerd op het gezonde gezin. Met de opkomst van de diensten en industrie waren gezonde werknemers bovendien noodzakelijk. Alles wat dit beeld bedreigde moest bestreden worden, zoals de prostitutie die de verspreiding van geslachtsziekten bevorderde. Het aantal venerische zieken, in garnizoenstad Haarlem bijvoorbeeld, zien we dan ook halverwege de jaren zeventig afnemen.[5] Het lijkt er dus op dat al ver voor de oprichting van de Haarlemse MNZ de prostitutie en het aantal geslachtsziekten dalen in middelgrote steden. Dat betekent echter niet dat de rol van de MNZ te verwaarlozen is.

Het aanspreken van prostituanten voor de bordelen leidde ertoe dat anonmiteit voor bezoekers steeds belangrijker werd. Door de media aandacht voor de (minderjarige) jonge vrouwen die door listige mannelijke handelaren tot de prostitutie misleid waren, bijvoorbeeld die van Stead in Engeland en Balkestein in Nederland, werd het onderwerp zo beladen dat anonimiteit voor prostituanten nog belangrijker werd. Hoewel de prostitutie in de jaren zeventig in middelgrote steden afnam, nam de illegale prostitutie in de drie grootste steden in die periode juist toe. De uitbreiding van het openbaar vervoer was hier debet aan. Uiteindelijk verplaatste de prostitutie zich aldus van middelgrote naar de anoniemere grote steden en van de legale naar de illegale variant. Uit deze ervaringen van de negentiende eeuw blijkt dus niet dat de prostitutie afnam door de doelgroep aan te spreken op hun gedrag. Ze droegen wel bij aan de verplaatsing van de zichtbare markt naar de anonieme variant. De drie wetenschappers hebben aldus gelijk als ze aangeven dat het oprichten van een nieuwe MNZ niet zal leiden tot een teruggang van de prostitutie. Maar is een daling überhaupt mogelijk?

Van de negentiende eeuw naar nu
Hoogleraar Hendrik Wagenaar schreef met Sietske Altink een serie interessante artikelen waarin vergelijkend onderzoek is gedaan naar de prostitutie in diverse landen. Zij concluderen daarin dat de overheid zich zou moeten richten op een pragmatische aanpak. Praten met prostituees, zoals in Nieuw Zeeland zou volgens het duo effectiever werken om misstanden tegen te gaan dan een morele kruistocht tegen de prostituanten, zoals in Zweden.

Tot slot
Het oprichten van een nieuwe MNZ zal de prostitutie dus niet verkleinen. De geschiedenis toont aan dat de markt dan juist verschuift naar de illegaliteit. Bovendien spelen sociaal-economische factoren een belangrijke rol in de markt van vraag en aanbod. Van Hooff heeft dus gelijk als hij aangeeft dat prostitutie altijd zal blijven bestaan. Om daar de strijd mee aan te gaan lijkt weinig zinvol. Het tegengaan van de misstanden in de branche lijkt meer succes te garanderen. Wagenaar en Altink geven op dit gebied interessante suggesties. Of de door hen geconstateerde oplossingen in het buitenland ook voor Nederland een gunstig effect zouden opleveren, zou echter eerst nagegaan moeten worden.


Noten
1. De stelling is gepubliceerd in Het Historisch Nieuwsblad, nr 4 van 2013.  
In hetzelfde tijdschrift is eerder ook een artikel over de MNZ verschenen:
Martijn Blekendaal, 'de Middernachtzending strijdt tegen de prostitutie', Historisch Nieuwsblad 9 (2009).
2. Prostitutie was in die periode, net als tegenwoordig, een legaal beroep, waarbij de gemeente, net als tegenwoordig, het plaatselijk beleid bepaalde.
3. Overgenomen uit: Wilma van den Brink, 'Zedelijk Haarlem' in: K. Matthijs e.a. (eds), Leven in de lage landen: Historisch-demografisch onderzoek in Vlaanderen en Nederland (2010) 277. 
4. Brink, 'Zedelijk Haarlem', 278 - 287.
5. Ibidem, 274.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen